Geschiedenis Protestantisme

Gennep / Noord-Limburg

Hervormers 16e Eeuw

Gennep en de Reformatie

Norbertus van Gennep - een vroege hervormer

stad Gennep 1649In 1080 werd Norbertus geboren, de tweede zoon van Heribert van Gennep, kasteelheer van het fort Het Genneperhuis. Omdat hij menselijkerwijs zijn vader niet zou kunnen opvolgen, was hij voorbestemd voor een carrière in de kerk. Op jonge leeftijd vertrok hij naar Xanten en werd daar als kanunnik verbonden aan het Sint Viktorskapittel in Xanten. Een kanunnik was in die tijd een wereldlijke geestelijke die bepaalde, meestal bestuurlijke functies in de kerk vervulde en niet alle wijdingen tot priester had ondergaan. Het was een erebaan voor rijke adellijke  jongens. Men moest zich vaak inkopen in zo’n baan.  

 

Norbertus vervolgde zijn opleiding aan het hof van Frederik I, aartsbisschop van Keulen en  werd niet veel later aalmoezenier aan het hof van keizer Hendrik V, een positie met veel status. De politieke verwevenheid van kerk en staat, de machtsstrijd over benoemingen en bezittingen tussen de Duitse keizer en de aartsbisschoppen (investituurstrijd), maar vooral ook de misstanden in de kerk, die mijlenver van de gewone samenleving leek te staan, stoorden hem. Dat alles hoorde volgens hem niet bij de oorspronkelijke opzet van de christelijke kerk. Hij verliet Keulen en nam zijn intrek in de benedictijnenabdij van Siegburg, studeerde drie jaar, leefde enige tijd als kluizenaar op de Fürstenberg bij Xanten, waarna hij in 1115 tot priester werd gewijd. Daarna keerde hij terug naar Xanten.

Sint Viktorskapittel

 

Hij bekritiseerde de pracht en praal in de kerken en bisschoppelijke paleizen, de rijke levenswijze van de geestelijkheid, de vriendjespolitiek en het aannemen van steekpenningen om een ambt of hoge functie te verwerven en wees erop dat die zaken niet in de geest van het evangelie waren. Zelf trok hij ook de consequentie van zijn overtuiging: hij verkocht zijn bezit, gaf het geld aan de armen, trok een boetekleed aan en werd één van de vele rondtrekkende predikers die opriepen tot bekering. Zijn overtuiging was dat de kerk tot inkeer moest komen en opnieuw heil en gerechtigheid moest brengen, gaven van hand en hart met elkaar delen zoals de eerste Christenen en de boodschap van Christus uitdragen naar iedereen: “het Rijk van God is dicht bij u”.

 

Norbertus trok met enkele volgelingen naar zijn vriend, de bisschop in Laon in Noord Frankrijk. In 1121 stichtte hij daar een nieuwe kloosterorde voor mannen en vrouwen, de orde van Prémontré, ofwel de orde van de norbertijnen. Norbertus wist bij zijn hervorming ook leken, mannen en vrouwen (!) te betrekken om zo samen één kerkgemeenschap te vormen. De Norbertijnen leefden volgens de regels van Augustinus, “tot elk goed werk bereid”, niet in afzondering, maar praktisch en pastoraal bezig, midden in de maatschappij, ze gaven onderwijs, zorgden voor zieken, preekten vrede in een verscheurde feodale maatschappij en brachten de kerk en het evangelie dichter bij de gewone mens.  

 

NorbertijnwDe nieuwe orde der norbertijnen, opgericht in 1121, sloeg aan in Noord Frankrijk. Binnen enkele jaren had de orde zeven ziekenhuizen, diverse abdijen en een aantal kloosters in de omgeving opgericht. De Norbertijnen liepen in witte kleren, zij werden wel de witte pastoors genoemd, in tegenstelling tot de reguliere “zwarte” pastoors die door de bisschop werden aangesteld. Ze bedienden vaak meerdere parochies in de omgeving van hun abdijen. Toen de kloosterorde in Laon goed liep hervatte Norbertus zijn prediktochten in 1124 en liet de verdere uitbouw van de orde over aan zijn vriend, priester Hugo des Fosses die vanaf het begin toegetreden was tot de orde en later algemeen overste werd. Twintig jaar na de stichting waren er al meer dan 100 Norbertijnen abdijen in Noord Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden en Duitsland. In onze grensstreek verschenen kloosters in Bedburg-Hau (1124), Dormagen, Duisburg, Heinsberg, Wesel, Kranenburg.

 

Norbertus’ overtuiging, inzet en organisatietalent waren niet onopgemerkt gebleven: in 1126 werd hij benoemd tot aartsbisschop van Maagdenburg en aartskanselier van het Heilige Roomse Rijk, waarschijnlijk tegen wil en dank. Bij een dergelijke functie hoorden paleis, pracht en praal en dat ging lijnrecht in tegen zijn opvatting en levenshouding.  Norbertus kwam in zijn boetekleed op blote voeten naar de kathedraal waar de inwijding zou plaatsen en werd weggejaagd door de koster die hem aanzag voor een bedelaar.

 

Nadat hij in Maagdenburg goede afspraken had gemaakt met de overheid aangaande kerkelijke bezittingen, verantwoordelijkheden en benoemingen, begon hij ook daar zijn hervormingen in de kerk en in de verhouding kerk-samenleving door te voeren. Hij stichtte drie norbertijnenkloosters en hervormde twee benedictijner abdijen naar zijn inzicht. Deze kloosters en abdijen waren sterk pastoraal gericht. Hij ontsloeg daarbij de rijke kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van de Dom in Maagdenburg en gaf de zielzorg in handen van zijn medebroeders, reguliere priesters die in kloostergemeenschappen zonder privé-bezit samenleefden. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Hij overleefde daarbij twee moordaanslagen.

 

Nobertijner kloosterwInmiddels was hij vertrouweling en raadsheer geworden van koning Lotharius van Saksen, de Duitse deelstaat waarvan Maagdenburg de hoofdstad was. In 1130 ontstond een conflict in de rooms-katholieke wereld rond de benoeming van een paus. Samen met zijn vriend Bernardus van Clairvaux in Frankrijk, stichter van de orde der Cistercienzen, wist hij de wereldlijke machten in Duitsland en Frankrijk op één lijn te krijgen en hen te verzoenen met de zittende paus. Zo kon hij een dreigende oorlog voorkomen en verzekerde hij een groot deel van Europa van een duurzame  bleef de rechterhand van de nieuwe keizer en kon zo zijn invloed en hervormingen verder uitbreiden. Eén en ander leidde tot een duidelijke scheiding van taken, rechten en verantwoordelijkheden van kerk en staat in Duitsland.

 

In 1134 werd Norbertus ziek en na drie maanden, op 6 juni 1134 overleed hij op 54-jarige leeftijd in Maagdenburg, waar hij aanvankelijk werd begraven. In 1626 is zijn lichaam overgebracht naar de abdijkerk van het Norbertijnenklooster Strahov in Praag, waar het zich nu nog altijd bevindt.

 

KarelsbrugNorbertus was een bevlogen boodschapper van vrede en gerechtigheid in een feodale wereld, die geloofde dat de kerk een belangrijke evangelische en pastorale roeping had, dat de kerk midden in de wereld moest staan en die er van overtuigd was dat hervorming van binnenuit moest en kon komen. Hij is daarom de kerk altijd trouw gebleven.

 

In 2018, ruim 900 jaar nadat Norbertus zijn keuze had gemaakt en begon aan zijn zwerftocht door Europa, bezochten 120 abten en abdissen van norbertijner kloosters uit de hele wereld zijn geboortegrond in Gennep. Na ontvangst op de Markt bij het beeld van Norbertus naast de protestantse kerk en een wandeling door Gennep met het Gilde werd een picknick aangeboden bij de ruïne van het Genneperhuis. Voor vele norbertijnen ging een grote wens in vervulling.